“Een late dienst begint bij ons om half 4. Iedereen is dan al klaar met dagbesteding en is al vanaf 15 uur op de woning. Het is de bedoeling dat de cliënten op hun kamer zijn, zodat de begeleiding goed kan overdragen. Soms is dit zo en stap je rustig binnen, een andere keer word je buiten hartelijk begroet met een muziekje en een uitbundig ‘hallo’. Soms staat een cliënt vol enthousiasme op je te wachten om iets te vertellen of om iets te vragen. Meestal in de woning, maar soms ook al op de parkeerplaats. Een enkele keer komt het voor dat er aan het eind van de vroege dienst al iets is misgegaan en je meteen een escalatie of gespannen situatie binnenstapt.”

“Tijdens de overdracht vertelt je collega van de vroege dienst hoe de dag is verlopen, of er bijzonderheden zijn geweest en/of er bijzonderheden zijn waar we tijdens de avond rekening mee moeten houden. Om 16 uur is de overdracht voorbij en begint het programma,” legt Santa uit.

“De cliënten druppelen binnen en maken allemaal op hun eigen manier en tempo even contact met je. De één begroet je al vanuit de gang door grapjes met je te maken en vol lachend naar je toe te komen. De volgende komt gehaast even een taakje opschrijven en is snel weer weg, want hij of zij is druk bezig. Weer iemand anders komt je meteen een knuffel geven, ook al is het 30 graden. Niet alle cliënten komen uit zichzelf, dan gaan we even langs hun kamer om te begroeten en vragen of zij iets willen drinken, en een taakje komen kiezen. Nadat we iedereen hebben begroet, bespreken we hoe de rest van de dag gaat verlopen. Soms gaat dit georganiseerd doordat iedereen met je aan tafel komt

zitten en vraagt wat hij of zij graag zou willen. Soms is er wat minder rust en ben je drie gesprekken tegelijkertijd aan het voeren omdat iedereen het liefst zo snel mogelijk antwoord wilt. Na het bespreken van de dag is het tijd dat iedereen zijn of haar kamer netjes gaat maken. De één heeft een schema waarop per dag staat beschreven wat er moet gebeuren, de ander kan dit zelf indelen. Elke persoon stuur je ook op een andere manier aan. Bij de een vraag je: ‘Heb jij nog afwas op je kamer die als je het nu niet opruimt uit zichzelf naar de keuken loopt? Ga dat dan even halen.’ Maar bij een andere cliënt is het nodig om even mee te lopen en aan te wijzen wat je ziet en het samen netjes te maken. Als dit alles gedaan is, heeft iedereen vrije tijd tot aan het avondeten. Dit wordt erg verschillend ingedeeld. De ene dag doen we met zijn allen iets, een andere dag loop je kilometers heen en weer door de woning om bij iedereen te kunnen zien hoe het gaat omdat iedereen wat meer voor zichzelf bezig is,” vertelt Santa.

Signalen opvangen

“Het is belangrijk om goed te signaleren hoe het met iedereen gaat,” legt Santa uit: “Je stuurt op gedrag, wat wel kan en wat niet kan. Je stuurt aan op het volgen van het programma en afspraken. Proberen iemand zo zelfstandig mogelijk alles te laten doen, maar ook te zorgen dat diegene genoeg aandacht en nabijheid krijgt zodat hij of zij zich goed voelt. Je stuurt in de manier waarop iedereen onderling met elkaar omgaat. Bespreekt situaties voor, spreekt je verwachtingen uit en spreekt af wat cliënten van je nodig hebben.

Als dit allemaal lukt kom je je middag door zonder hoge spanningen of escalaties. Waar het niet lukt kan dit zorgen dat iemand zich niet lekker in zijn vel voelt. Dit kan zich op verschillende manieren uiten. Cliënten kunnen zich afsluiten en niet met je willen praten. Het kan ook zijn dat iemand juist een discussie of ruzie op zoekt en soms in extreme mate uit dat hij of zij zich niet prettig voelt. Het kan gebeuren dat een cliënt zichzelf of jou pijn doet. Maar het is ook mogelijk dat je vooraf al bij iemand aanvoelt dat het niet lekker gaat en je eigenlijk weet dat het een ‘bui’ is die er nog uit moet komen, maar dat (nog) niet gebeurt. Je doet je uiterste best om te bespreken wat je ziet, oplossingen te bedenken, uit te vogelen wat er aan de hand is en hoe je iemand het beste kunt helpen. Soms kom je er doorheen en lukt het je om samen te zorgen dat iemand zich minder rot voelt. Soms lukt het niet en krijg je niet voldoende contact met je cliënt waardoor je niet weet wat er precies is en wat er precies nodig is. Je blijft zoeken en hopen op succes, maar helaas lukt het niet altijd om de cliënt zijn/haar dag beter te maken.”

Etenstijd

“Na het middagdeel gaan we met zijn allen eten. De meesten eten in de woonkamer aan tafel. Dit motiveren we zodat er sociale interactie plaatsvindt. Sommigen lukt het niet om aan tafel te komen, zij nemen hun eten mee naar hun kamer. Per dag bekijken we dit en doen we ons uiterste best om zo veel mogelijk personen aan tafel te verwelkomen. Eten en interactie loopt meestal wisselend. De ene dag is het gezellig en hebben we leuke gesprekjes, heeft iedereen het naar zijn zin en praat gezellig mee. De andere dag zijn er onderlinge spanningen en irritaties en dan is de sfeer minder gezellig. Die dagen kost het bij de meesten best wel wat moeite om aan tafel te eten, omdat het soms veel gevraagd kan zijn aardig te blijven of iemand desnoods te negeren zodat er geen ruzie ontstaat. Ook hierin heb je een sturende rol. Per persoon stuur je op hoe diegene overkomt, maar ook in het groepsproces stuur je de gesprekken.”

Santa vertelt verder: “Na het eten is er weer een kamer moment waarbij iedereen iets voor zichzelf doet. De begeleiders ruimen dan de rest van het avondeten op, en bespreken hoe ze de avond gaan vormgeven. Na het eten is er namelijk een gehele avond aan vrije tijd te vullen. Ook dan ben je de gehele tijd bezig met signalen opvangen, wat je ziet met elkaar bespreken en oplossingen bedenken, het sturen van gedrag, aansturen op het nakomen van afspraken, sturen van het groepsproces en zorgen dat iedereen voldoende aandacht en nabijheid heeft gehad om zich goed te kunnen voelen.”

“De rest van de avond gaat als volgt,” gaat Santa verder. “Tussen half 9 en 9 uur beginnen we met voorstructureren dat de avond ver klaar is. Samen ronden we activiteiten af, sturen we aan op het opruimen van spullen en maken we de overgang om naar de eigen kamer te gaan en te gaan slapen. Om half 10 is het de bedoeling dat iedereen op zijn of haar eigen kamer is, medicatie heeft gehad en geen vragen meer heeft voor de begeleiding. Om half 10 rapporteer je in het systeem hoe de dag is geweest. Je maakt meldingen van incidenten en/of escalaties en werkt de mailbox bij. Je hebt telefonisch contact met de nachtdienst om af te spreken dat zij kunnen starten met het uitluisteren van de kamers. Vervolgens komt om 10 uur de slaapdienst. Dan draag je over hoe het is gegaan, wat de aandachtspunten zijn en of het nodig is dat je nog ondersteuning biedt. Het kan namelijk voorkomen dat er om 10 uur nog een onveilige of onvoorspelbare situatie is. Dan blijf je samen met de collega van de slaapdienst om dat op te lossen. Als alles rustig is ga je naar huis, en dan neemt je collega de nacht waar,” eindigt Santa haar verhaal.